|
 |
|
 |
| |
|
|
| |
|
|
OJC/Rosmalen 6 - OSC ’45 3 |
| |
In verband met een oninspirerende wedstrijd met een dito oninspirerende uitslag en wegens verder te veel theatraal gezuig (waar je alleen aandacht aan moet besteden als het van je goedbedoelende partner komt en zeker niet als het komt van de tegenstander) deze keer een parabel (en zoek dat maar op in je Wikipedia ofzo). Komt een man bij de dokter. Die zie je al denken: ’Die komt zeker alleen maar om een beginzin van een tranentrekkende bestseller te hebben en zal wel weer te laf zijn om er dan zijn eigen, door zijn hardwerkende ouders, gegeven naam onder te zetten. ’ Dokters denken blijkbaar een hoop bij gebrek aan sappig orerende gesprekspartners. Die man komt dus bij de dokter. Laten we ’m Jan noemen. Die man die bij de dokter komt dus, niet die dokter, die noemen we gewoon Dr. Dolittlelessthannothing, maar laten we dat voor de leesbaarheid afkorten naar Dr. D. Maar wacht, laten we die man die bij Dr. D komt geen Jan noemen, dat is afgezaagd en doet geen recht aan al die leuke Jannen die niet bij dokters komen. Laten we ’m gewoon Johan noemen. Gewoon ’Jan’, maar dan met een extra ’oh’ om te benadrukken dat de conceptie van Johannen blijkbaar met meer ’oh’gepaard gaat dan de conceptie van gewone Jannen. Ja, dat klinkt al beter. Je ziet het al voor je: een licht hinkje, met een resonerende metalen klank bij het neerkomen van de voet en dan zo’n wat vettig kapsel, waar een snelle hand toch wel doorheen geweest is die ochtend. Die komt dus bij de dokter. En hij mag gelijk doorlopen, want de wachtkamer is op dit ongoddelijke uur (zoals op elk uur bij Dr. D) gewoon leeg. Hij gaat zitten, kijkt de dokter wanhopig aan en veegt onderwijl wat snot van zijn bovenlip, wat een nodeloos gebaar lijkt als je ziet hoe het in brede stromen zijn neus verlaat. ’Dokter, het gaat nu al een hele dag zo en ik ben het zat!’. Dat was Johan. Dr. D kijkt hem aan, laat zijn associatieve vermogens los op deze uitroep en komt terug met ’Wat bedoel je?’. Sterke gesprekswending, zo blijkt:’Ik ben verkouden, dokter’. Opgelucht komt het brein van Dr. D in actie, want van verkoudheden weet hij alles, maar wat was het ook alweer? Gelukkig heeft Johan de Lijding goed in handen en gaat verder ’Ik heb aangevallen met alles wat ik in mijn badkamerkastje had, maar de aanval in nu de weg kwijt en mijn tegenstander is mijn middellijn overgaan (waarbij Dr. D het even niet kan laten naar de middellijn van Johan te kijken) en nu staat mijn afweer op springen!’ Dr. D kijkt gefascineerd naar het gutsende aangezicht van Johan en droomt weg, geïnspireerd door het voetbaljargon dat hij meent te bespeuren. Hij denkt aan trots, aan zelfrespect, aan teamgeest en solidariteit, aan knokken voor elkaar.
Maar goed, zijn spreekuurbezoeker verdient de aandacht: ’Wel beste Johan, ik zie maar één uitweg.’ Johan, inmiddels op adem gekomen en toe aan een beetje troost en vertrouwen, neigt wat naar voren, zodat de stroom nu op zijn schoenpunten eindigt. Dat deert hem niet, hij wil graag een oplossing voor een wellicht wat overdadig gepresenteerd, maar toch hinderlijk probleem. De dokter heeft echter wat aansporing nodig, zo lijkt het. ’Dokter, ik doe alles, als u de verkoudheid maar verhelpt!’, zet Johan zijn presentatie nog wat aan.’Wel Johan, de oplossing is zelfmoord!’, concludeert Dr. D triomfantelijk. Johan, een man van beloftes, een man een man, een woord een woord, bedankt de dokter, loopt naar buiten en gooit zich onder de eerste de beste platte kar die op zijn weg komt, waarbij hij nog net ’kampioenofandersnie’ meent te ontwaren in de laatste klanken die hem vanaf die kar ter ore komen. Zijn verkoudheid? Inderdaad verleden tijd. Bruut, dit einde? Wellicht. Wellicht niet. Vervang eens de Johan in dit verhaal door OSC 3, de verkoudheid door een gelijk oplopende wedstrijd met 0-1 achterstand met twintig minuten voor het eind en nog geen goal voor OSC en het advies van de dokter met de door OSC 3 in de laatste fase toegepaste taktiek. Dan is het ineens geen brute wending meer, maar keiharde realiteit. En laat ik dan met de enige spreken die recht van spreken heeft, de MOTM, Jamal: ’Twee tegen drie, dat is niet zo erg voor een verdediging, maar twee tegen vier of vijf en dan vijf keer achter elkaar is echt te gek.’ En ook nog eens respectloos naar de MOTM en zijn medeverdedigers. Verdedigers denken nu eenmaal anders dan de rest: liever met 1-0 respectvol verliezen dan een kleine kans op een gelijkspel creëren middels een grote kans op een groot en geflatteerd verlies. GvD |
|
| |
 |
|
|
|
 |
|
 |
|
|
| |
|
|