|
 |
|
 |
| |
|
|
| |
|
|
OSC ’45 3 - Buren 2 |
| |
Daar lig je dan. Zevendertig jaar en je dacht dat je voetbalcarrière voorbij was. Dat je je voetbalschoenen aan de wilgen kon hangen, naast je dromen over volle voetbalstadions, vol met enthousiaste buurvrouwen, maar natuurlijk ook buurmannen, gewone vrouwen en mannen en andere voetbalsupporters. En in die wilgen ook nog je boeken vol met verhalen over je leepste passes, je klinklare voorzetten, je panrake slidings en niet te vergeten de talloze kopgoals, die je na nog tallozer slecht genomen corners toch nog wist te maken.
Daar lig je dan. Zevendertig jaar en je realiseert je plotseling dat er nog meer in het verschiet ligt. En dat is een heerlijk gevoel. Zo’n heerlijk gevoel waar je helemaal alleen van wil genieten. Je armen gestrekt in een overwinningsgebaar, je benen uit elkaar om het genot ook daar te laten komen waar het hoort en je ogen gericht naar de hemel, want als er een god bestaat, dan moet hij nu het woord tot je gaan richten.
Daar lig je dan, je bent zevendertig jaar en je wacht tot God het woord tot je richt. En dan realiseer je je plotseling dat er ook nadelen kleven aan je rentree. Dit nog niet gerealiseerd hebbende storten de zware, zwetende lijven van teamgenoten zich op je, benemen je de adem en verstikken je met hun innige omhelzingen. Kan een mens dan nooit alleen zijn met zijn genot? Nee, Michael, voetbal is een teamsport en je had je egomomentje al gehad met die ik-val-over-de-bal-en-geef-hem-zo-een-knal-en-klim-daarmee-uit-een-blessuredal 2-0. De euforie over de 1-0 van binnenkantpaal-Bob, die hem van Jeroen kreeg die hem weer kreeg van de Witte Mininostradamus (met die strakke groene broek, u kent hem wel) is op dat moment reeds lang verstomd. Na een stevig begin was het tempo namelijk langzaam uit de benen van ’t Derde gezakt en een zoveelste oponthoud van de wedstrijd deed daar geen goed aan (we hadden al gehad: de discussie over blauw of oranje shirts dragen (zo’n 10 minuten vertraging), de entree van Koen (zo’n kwartier vertraging) en niet te vergeten de totale afwezigheid van Baby Beks (nog een drie kwartier vertraging; wie-o-wie bezorgt hem een vriendin met een wekker of zelfs maar een wekker met een vriendin of misschien moeten we met ons team een Beks-Baby-foon aanschaffen?). Om nog even kort samen te vatten waar deze laatste zin om ging: de wedstrijd lag stil. De scheidsrechter probeerde aan William uit te leggen wat hij op dat moment aan het optekenen was uit de mond van een Burense speler die hij net een rode kaart had gegeven. William, die eigenlijk alleen goed is met cijfers en van woorden wat minder kaas heeft gegeten, keek hem toch begrijpend aan (dat kan een mens toch altijd vooruit helpen, zal hij wel denken, het blijft een boekhouder ten slotte: de plusjes en de minnetje worden keurig gescoord bij de juiste mensen). Ondertussen bedacht Bart een sociaal aanvaardbare oplossing voor deze tweede rode kaart en met name de gevolgen die driekwart wedstrijd spelen met negen man tegen elf man van O.S.C. 3 voor een tegenstander kan hebben (de huiskamervraag is: bedenk drie van deze gevolgen). De schrijver dezes keuvelde ondertussen met Jeroen en een echte Burense die er even bij was gaan zitten en memoreerde dat in de richting van Beusichem scheidsrechters wel ergere dingen te horen kregen zoals onder andere ’kloothommel’ en dat deze scheidsrechters daar dan geenszins van schrikken, laat staan rood trekken. Jeroen verbazen kon dat niet, want zoals hij het verwoordde: die scheidsrechter zal te Beusichem diezelfde ochtend door zijn moeder vast nog voor bijvoorbeeld nare jongen of dekselse rekel uitgemaakt zijn en dan ben je geenszins onder de indruk van ik noem maar een diersoort: kloothommel.
Dat kon de Burenspeler geestdriftig en vol vuur alleen maar beamen (als in be-amen). Inmiddels was Bart tot een oplossing gekomen en die wil ik u niet onthouden. We dopen deze oplossing de ’oranje kaart’ en het gaat zoals volgt: een speler maakt een overtreding die rood waard is, vervolgens moet hij eraf (tot nu toe geen nieuws zult u denken), maar nu komt het: er komt gewoon weer een nieuwe speler van de bank het veld in! Een wissel, hoort ik u concluderen, maar nee, dat is niet hetzelfde! Volgens Bart(jes). Maar goed, daar sta je dan tegen toch tien man na die rode en oranje kaart en er ligt nog een speler op het veld met zijn armen gestrekt richting de hemel, zevendertig jaar en inmiddels blauw nadat hij door zijn juichende teamgenoten verstikt is geraakt. Wat doe je dan nog met de resterende wedstrijd? Wel, het antwoord daar kan ik kort in zijn: bij het scoren van de volgende 3 doelpunten stap je keurig over die liggende eind-dertiger heen. Niet moeilijk toch? Wel, eerst deed Franske dat bij het terugleggen van de bal op Jeroen, die met zijn spreekwoordelijke recht-door-zeese schuiver de keeper verraste op een 3-0. Vervolgens deed Bob dat ook, en ook Loeki, want die liepen uit sociaal oogpunt samen met Francois op naar het vijandelijke doel. Uit sociaal oogpunt noem ik dat, omdat ze ook niet zo naïef waren dat ze dachten dat Franske twee keer in één wedstrijd de bal zou afleggen: 4-0. Bob etaleerde zijn klasse als laatste door – eerst met een fraaie sprong over die liggende zeven-en-dertiger te concoursen (wat paardenvlees niet met je kan doen) – op soepele wijze en met afgemeten passen naar het doel te soleren om vervolgens de veelgeplaagde Burense goalie af te schminken: 5-0. Jongens, het is wel een wat geflatteerde zege geworden. Uit Burens oogpunt dan.
GvD. |
|
| |
 |
|
|
|
 |
|
 |
|
|
| |
|
|